Verloren 1977

Wat is het dat mij zo eenzaam maakt?

Jij, altijd maar jij, je hebt mij gekraakt.

Waarom kan ik het niet vergeten, verleden tijd?

Waarom nog altijd die innerlijke strijd?

Vanmiddag zag ik je lopen in je mooie pak.

Het schuurde van binnen, mijn spieren stonden strak.

Niet uit de tram stappen, godverdomme nee!

Deze keer sleepte ik mezelf mee.

Ik kan niet zonder je, maar ook niet met je leven.

Wij die zeiden, we moeten leren geven.

Waarom blijven wij elkaar beminnen?

Zonder zelf opnieuw te beginnen.

Naar Utrecht gaan om te werken en vreemd te gaan.

Waarom wat had ik jou aangedaan?

Met haar lachen, om mij in haar huis.

En ik maar denken, waarom kom je niet thuis?

Je zocht bij haar wat ik niet had.

Rijkdom zocht je, wat ik niet bezat.

Ach, je mag nu weer bij je moeder komen.

En je vriendin mag ook worden meegenomen.

Voor jouw moeder is het een kroon.

de erfenis gaat gelukkig naar de zoon.

Want rijk met rijk is goed, dat wilde je nooit weten.

Je weet het nu, zonder kwaad geweten.

Ik hoop toch dat je eens zal wederkeren.

We hebben beide kunnen leren.

Waarschijnlijk de beste les die er bestaat.

Die, dat de liefde hetzelfde is als haat.