De eenhoorn wachtte geduldig op de top van de berg.
Statig en trots, als ware hij een godenzoon.
Neerbuigend keek hij neer op het gekrioel van de mensheid
en sprak voluit op gedragen toon.
“Hoe kan de mens elkander beminnen?
Als zij langs elkander leeft.
Hoe kan de wereld zich redden?
Als zij al haar geheimen prijsgeeft.
Welke wonderen kunnen nog worden geopenbaard?
En welke toekomst ligt nog in het verschiet?
Als Eenhoorn, Godenzoon weet ik het antwoord,
waarom snapt de mensheid dat dan niet!”
