De duivel 1976

De duivelse lach achter mijn geweten

heeft mij geleerd te lachen.

Mijn handen zijn als die

van de duivel hemzelf.

Ik houd van de duivel.

Hij is Goddelijk.

Zijn ogen dringen

tot diep in mijn ziel.

Opdrachten, ik gehoorzaam ze.

Mijn mond zal de uwe vullen.

Mijn dijen zullen branden.

Mijn lippen zullen smachten.

Oh, duivel

Gij zult U eens branden

aan mij,

die U geschapen heeft.