De duivelse lach achter mijn geweten
heeft mij geleerd te lachen.
Mijn handen zijn als die
van de duivel hemzelf.
Ik houd van de duivel.
Hij is Goddelijk.
Zijn ogen dringen
tot diep in mijn ziel.
Opdrachten, ik gehoorzaam ze.
Mijn mond zal de uwe vullen.
Mijn dijen zullen branden.
Mijn lippen zullen smachten.
Oh, duivel
Gij zult U eens branden
aan mij,
die U geschapen heeft.
