Het begon te schemeren in Amsterdam, Moniek stond in gedachten verzonken naar de Westertoren te kijken. Als ze nu eens…, nee, toch maar niet, dacht Moniek. Opeens werd ze opgeschrikt door de slagen van de torenklokken. Ze telde: ”Een, twee, drie, vier, vijf, zes. Oh zes uur. Ik moet naar huis”. Zij liep zo snel haar benen haar dragen konden naar huis.
Thuis aangekomen smeet ze haar jas op een stoel en stormde naar de tafel om aan te vallen. “Dacht je nu werkelijk dat je eten kreeg?” Zei vader met barse stem. De moeder had ondertussen al wat opgeschept, maar de vader pakte het weg en smakte het eten in de pan terug. “Naar bed!” schreeuwde hij. De tranen stonden Moniek in de ogen, maar huilen, dat nooit!
Moniek rende naar haar kamer, sloeg de deur dicht en zette de knip erop. Zij kleedde zich uit, deed haar nachtpon aan en schoof in bed alsof ze een oude vrouw was. Ze viel direct in slaap en droomde.
Deze droom zal ik je vertellen.
Moniek droomde dat ze een heks was, een grote, gemene, sluwe heks die samen met haar drie katten en een raaf in een kasteel woonde. Op een dag was de heks (Moniek dus) in een zeer slecht humeur. Zij had zin om het hele mensdom in varkens te laten veranderen, want van haar hoefden mensen niet te leven. Zij vond dat, want mensen kan je niet eten, maar varkens wel. Mensen maken troep, varkens ruimen op. Mensen vernielen daar kunnen ze niets aan doen, varkens ook wel, maar daar kun je wat aan doen. Dus de heks begon in al haar boeken (en dat waren er wel honderd) te snuffelen. Om een middeltje te vinden om de mens in een varken om te toveren. En ja hoor, in het negenennegentigste boek vond het recept.
Ze las het hardop: “Drie staarten van de vleermuis bij middernacht plukken (onbeperkt houdbaar). Twee ossenstaarten (import China). Een sinaasappelschil (geplukt door een raaf). Een veer van een raaf (geplukt rond middernacht). Een pluk (van twee ons) haren van een kat (geplukt door de kat zelf: zie pagina 10 voor het plukken van haren)
Pak eerst de drie staarten van de vleermuis, leg ze in vampiers bloed, een nacht. Voeg daarna de twee andere staarten toe, flink roeren tot er een brij ontstaat. Daarna roeren met de veer van de raaf tot de brij zwart wordt. De pluk kattenharen toevoegen. Roer dan weer met de veer tot de brij wit wordt. En geef het dan aan de mens waaraan u een hekel heeft”.
De heks lachte om deze tekst: Aan de mens waaraan u een hekel heeft. Dat waren er wel duizend.
De volgende dag begon ze alles in huis te halen. Voor het meesterwerk. ’s Avonds begon ze meteen de drie staarten in het vampiers bloed te leggen. Ze liet de kat zichzelf haar haar uitplukken en trok een veer uit de staart van de raaf (deze is de langste).
De daarop volgende avond ging ze het elixer echt maken. Ze voegde de ossenstaarten aan het vampiers bloed toe en begon flink te roeren. Het roeren duurde bijna drie uur.. Daarna roerde zij met de veer tot de brij zwart werd, dit duurde twee uur. Ze gooide de kattenharen erin en roerde weer met de veer tot de brij wit werd, dit duurde twaalf uur. Na deze twaalf uur kwam er eindelijk een geluid uit het kasteel. “Eureka, ik heb het gevonden”, hoorde men de heks schreeuwen.
De volgende dag om zes uur was de heks al op. Ze stond te popelen om de mensen in varkens om te toveren. Om zeven uur ging zij op pad naar het dorp dat dertig kilometer van het kasteel lag. Zij vloog het met haar bezem in drie uur, de lading was zwaar. Zij was om tien uur in het dorp, waar alles al in volle gang was. Hier kon zij haar slag slaan. Niemand keek naar de heks, ze merkten haar gewoon niet op.
Opeens zag de heks een geschikte man, die zou wel eens omgetoverd kunnen worden. Ze hield de man tegen (om te zorgen dat hij niet verder kon lopen). Z ij vroeg of de man een flesje van haar drank wilde kopen. Zij vertelde dat het alle ziekten kon genezen. De man geloofde haar en gaf haar een geldstuk voor het flesje. Hij zei dat hij het drankje in het eten zou doen om de kinderen, zijn vrouw en zichzelf van astma te kunnen bevrijden.
De volgende klant was niet zo gewillig: hij geloofde haar niet. Hij vond dat er een luchtje aan het ‘zaakje’ zat. De heks probeerde alles wat zij kon bedenken om de man te overtuigen, maar het lukte haar niet. De volgende dacht er ook niet over om een flesje te kopen, hij was er te gierig voor, dat zag je aan zijn hele snuit. De klant daarop kocht drie flesje. Voor zijn kinderen, vrouw, vader en schoonmoeder, broers en zussen, tantes en ooms om hen van de tyfus af te helpen. Want die ziekte heerste ernstig in die tijd. Die dag verkocht de heks tien flesjes.
‘s Avonds had zij geen zin om naar huis te gaan en ging naar de herberg, maar de kok in de keuken had haar gezien en wilde wel eens weten en zien wat voor een drankje het eigenlijk wel was dat zij verkocht. Toen de heks soep bestelde deed hij een paar druppels van het drankje erin.
De heks at en tien minuten later stond er een varken in de herberg.
De kok verspreidde het nieuws en met zijn allen verbrandden zij haar kasteel en haar boeken.
Vandaar dat men nu in deze tijd niets meer van deze recepten weet.
