Hier lig ik dan te dromen.
En tel al de groene bomen.
Ik kauw op een grassprietje
en zoek een vergeet me nietje.
Ik kijk naar de vogels in de lucht
het zijn wilde eenden op de vlucht.
Verderop is een boerderij
er is een reuzengroot erf bij.
Ik kijk naar de zwart wit koeien,
die vredig staan te loeien.
En kijk daar stroomt een rivier,
daar staat bij een vredige stier.
Er is geen auto te bekennen
zelfs geen kinderen die rennen.
Alleen is er maar de stille natuur.
Zo lig ik daar uur na uur.
Tot ik gewekt word door de boer.
En hij roept:”Kom griet, het eten is klaar bij moer”.
Aan tafel zit ik weer te dromen
over de dingen die gaan komen.
Nee, ik mag er niet aan denken,
dat dit alles eerstdaags moet wenken,
voor een afschuwelijk tafereel!
